Artikel geschreven Jean-Pierre VERGAUWE, Architraaf n° 214 van Mei 2023

Het Hof van Beroep te Brussel heeft op 13 januari 2022 (2017/AR/521) een uitspraak gedaan die verdient om te worden besproken.

De omstandigheden van de zaak kunnen als volgt worden samengevat:

De bouwheer is eigenaar van een gebouw gelegen in Ukkel.

Op 15 maart 2004 geeft hij een volledige architectuuropdracht aan een architect voor renovatiewerken van zijn gebouw voor een budget van € 34.700 exclusief btw.

De werken worden toevertrouwd aan een aannemer.

Op 15 september 2006 werd een proces-verbaal van voorlopige oplevering opgesteld waarin vocht aan de onderkant van de binnenmuur werd vastgesteld.

De aannemer wordt gevraagd om de nodige herstellingen uit te voeren.

De herstellingen worden uitgevoerd, maar 2 jaar later laat de bouwheer de blijvende vochtproblemen vaststellen door een expertisebureau.

De bouwheer dagvaardt de aannemer en de architect en vraagt om een veroordeling in solidum.

De rechtbank van eerste aanleg stelt een gerechtsdeskundige aan die zijn verslag op 30 juni 2014 neerlegt.

De gerechtsdeskundige concludeert dat er gebreken zijn, met name vochtigheid op de muren van de uitbreiding achteraan het gebouw.

Tijdens de procedure gaat de aannemer failliet.

Het faillissement wordt afgesloten op 21 oktober 2019.

In hoger beroep vraagt de bouwheer in hoofdorde om de in solidum veroordeling van de architect en de aannemer te bevestigen.

De architect betwist de gronden van het hoger beroep en tekent in ondergeschikte orde incidenteel hoger beroep aan waarbij hij het Hof verzoekt om elke in solidum veroordeling uit te sluiten en waarbij hij zijn verdediging van in eerste aanleg herneemt om de sommen die hem ten laste zijn gelegd te beperken.

Het hof stelt vast dat de gerechtsdeskundige die door de bouwheer is geraadpleegd, in september 2008 vochtigheid aan de onderkant van de muren heeft vastgesteld en stelt vast dat: « De bescherming van de ondergrondse metselwerken tegen vochtigheid onvoldoende is, ineffectief en vooral onvolledig ».

Deze gebreken zouden zowel betrekking hebben op het ontwerp als op de controle en de uitvoering van de werken.

De gerechtsdeskundige merkt met name op dat:

“Het ondergrondse deel van de muur van de keuken in de achterbouw van het huis is niet voorzien van een waterdichte laag die bedoeld is voor muren tegen de grond, maar van een onderbroken membraan dat op een deel van de breedte is geplaatst en dat water dat door de bekleding dringt, afleidt naar zijkant van de trap; alle metselwerken, zowel van de dragende muur als van de bekledingsmuur, zijn doordrenkt.

– De hoekkolom tussen de toegangsdeur naar het terras en het vaste raam vertoont sporen van aanzienlijke vochtigheid.
– De onderkant van de muur van het toilet vertoont aanzienlijke vochtigheid, het metselwerk in baksteen is doordrenkt tot ongeveer 50 cm van de grond; de aanwezigheid van een waterdichte laag tegen opstijgend vocht is niet vastgesteld.
– De vochtigheid heeft zich tijdens de expertise aanzienlijk ontwikkeld in de achtergevels van de keuken en ter hoogte van de rechterzijde van de scheidsmuur.
– Er is een aanzienlijke verbrokkeling van het pleisterwerk op de muren die toegang geven tot de binnenplaats en op de muur naast de buitentrap en de plinten van de muur komen los.
– De gemene muur vertoont aanzienlijk opstijgend vocht; de scheidingsmuren tussen de eigendommen bestaan uit twee blokken van baksteen waarschijnlijk van 14 cm. »

De deskundige concludeert dat de architect geen opmerkingen heeft gemaakt over de conformiteit van de uitvoering van de werken met de regels en aannemingsdocumenten, dat de ontwerpfouten niet zijn gecorrigeerd tijdens de uitvoering van de werken en dat de aannemer in diezelfde periode geen voorzorgsmaatregelen heeft genomen om infiltratie in het betreffende gebouw te beperken en de regels van de kunst niet heeft gerespecteerd.

De gerechtsdeskundige wijt deze problemen dus aan ontwerpfouten, uitvoeringsfouten en controlefouten tijdens de uitvoering.

In het proces-verbaal van voorlopige oplevering dat hij op 15 september 2006 heeft opgesteld, maakte de architect voorbehoud voor de aanwezige vochtigheid aan de onderkant van de muren.

Het proces-verbaal vermeldde de maatregelen die door de aannemer moesten worden genomen om het vocht te verhelpen.

De gerechtsdeskundige constateert dat de waterinfiltraties in de muren die tijdens de expertise zijn vastgesteld, overeenkomen met wat al in het proces-verbaal van de oplevering werd opgenomen.

De architect betwist elke verantwoordelijkheid op grond van artikel 8.3 van zijn architectuurovereenkomst, dat bepaalt:

« De voorlopige oplevering toegekend aan de aannemers, al dan niet met voorbehoud, zal het begin zijn van de tienjarige aansprakelijkheid van de architect voor de werken die onder deze garantie vallen overeenkomstig de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek.

Deze oplevering ontlast de architect van verborgen gebreken die niet worden behandeld in artikel 1792. Het in bezitnemen van de gebouwen zonder het maken van een belangrijk voorbehoud staat, wat de architect betreft, gelijk met de voorlopige oplevering van de werken. »

Voor de architect leidt deze door de bouwheer niet  betwiste clausule tot de goedkeuring en aanvaarding van de werken en de start van de tienjarige aansprakelijkheid.

Als gevolg daarvan kon de aansprakelijkheid van de architect alleen nog in het gedrang zijn in geval van ernstige gebreken die onder de tienjarige aansprakelijkheid vielen, met uitzondering van zichtbare en verborgen lichte gebreken en duidelijke conformiteitsfouten van het pand in de staat waarin het zich bevond op 15 september 2006.

Het hof merkt op dat volgens deze contractuele bepaling de gebreken en onvolkomenheden, die expliciet werden opgemerkt onder de vorm van een voorbehoud bij de voorlopige oplevering en die dus niet gedekt zijn door de aanvaarding van de bouwheer, niet uitgesloten zijn uit de aansprakelijkheid van de architect.

« Het tegenovergestelde zou tot gevolg hebben dat de voorbehouden gemaakt bij de voorlopige oplevering hun inhoud zouden verliezen. »

Het hof oordeelt daarom terecht dat deze gebreken en nalatigheden die verband houden met infiltratie niet zijn gedekt door de oplevering.

De werken zijn immers niet goedgekeurd omdat het proces-verbaal van voorlopige oplevering expliciet gebreken met betrekking tot de waterdichtheid vermeldt.

De toerekenbaarheid van de vastgestelde gebreken kan zowel aan de architect als aan de aannemer worden toegeschreven.

Bovendien bevestigt het hof dat de ingebruikname van de ruimte door de bouwheer geen voorlopige oplevering van alle werken met zich meebrengt, maar alleen van de werken waarvoor geen voorbehoud is gemaakt.

Het hof concludeert dat de verantwoordelijkheid van de architect in het gedrang is vanwege de gebreken in het ontwerp en deze in de controle op de uitvoering van het werk die aanleiding gaven tot de vastgestelde infiltraties.

« De architect heeft fouten gemaakt in de opmaak van de plannen – die de uitvoering van de waterdichtheid zoals beschreven in het bestek niet mogelijk maken – en de doorsneden kwamen niet overeen met de situatie ter plaatse; deze ontwerpfouten zijn niet gecorrigeerd tijdens de uitvoering van het werk. Bovendien heeft de architect bij de controle op de uitvoering niet de nodige opmerkingen gemaakt over de non-conformiteit van het werk met de regels van de kunst en de aannemingsdocumenten. De opmerkingen die tijdens de voorlopige oplevering werden gemaakt, waren te laat en konden de eerdere ontwerp- en uitvoeringsfouten niet ongedaan maken. »

Deze nalatigheden zijn door de bouwheer aan de kaak gesteld en door de expert aan het licht gebracht.

Wat betreft de vordering tot een veroordeling in solidum, verwijst het Hof naar het arrest van het Hof van Cassatie van 5 september 2014, waarin dit van oordeel was dat de zogenaamde « in solidum« -clausule in strijd is met de openbare orde vanwege het openbare orde-karakter van artikel 1792 van het oud Burgerlijk Wetboek (Cass., 5 september 2014, RG C.13.0395.N, www.juportal.be, JLMB 2015, 1624, nr. 35).

Het Hof van Beroep stelt echter vast dat het Hof van Cassatie daarmee, a contrario, de geldigheid erkent van clausules die de hoofdelijkheid uitsluiten met betrekking tot gebreken die niet onder de tienjarige aansprakelijkheid vallen en dus geen aansprakelijkheid van openbare orde inhouden.

De gebreken die door de gerechtsdeskundige zijn vastgesteld en bevestigd door het Hof van Beroep te Brussel, en die aan de basis liggen van de waterinfiltraties, vallen niet onder de tienjarige aansprakelijkheid. Daarom kan de “in solidum”-clausule die door de architect wordt ingeroepen, hier wel worden toegepast.

De architect zal dus uitsluitend veroordeeld worden voor zijn aansprakelijkheidsaandeel in de schade.

Het is hier belangrijk op te merken dat het Hof van Beroep heeft geoordeeld dat de gebreken die aan de basis liggen van de infiltraties geen betrekking hebben op de tienjarige aansprakelijkheid en dus niet onder de artikelen 1792 en 2270 van het oud Burgerlijk Wetboek vallen.

Het Hof van Beroep argumenteert als volgt:

« Waar waterinfiltraties in sommige gevallen constructiegebreken kunnen vormen die de stabiliteit of stevigheid van een gebouw of een deel daarvan in gevaar brengen en dus leiden tot de tienjarige aansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek…. is dit in casu niet het geval.

Het is immers niet aangetoond dat de stabiliteit of soliditeit van het gebouw in gevaar is of op lange termijn kan worden aangetast. De expert had in zijn verslag van 30 juni 2014 geoordeeld dat de vastgestelde gebreken die vocht veroorzaken aan de onderkant van alle keukenmuren « geen invloed hebben op de stabiliteit en stevigheid van het gebouw, maar het ongeschikt maken voor gebruik ».

De rechtbank sluit zich aan bij deze technische mening van zijn gerechtsdeskundige.

Zeven jaar later geeft de bouwheer aan dat hij vanwege het ontbreken van financiële middelen de herstelwerken zoals voorgesteld door de deskundige niet heeft uitgevoerd, zonder echter het ernstige karakter van de vochtproblemen aan te tonen in de zin van artikel 1792 van het oud Burgerlijk Wetboek en dus ook zonder enige aantasting of zelfs risico op aantasting van de stevigheid of stabiliteit van het gebouw aan te tonen.

De beslissing van het Hof van Beroep te Brussel bevestigt zo de rechtspraak van het Hof van Cassatie.

In een arrest van 9 januari 2017 (Cass. 9 januari 2017, TBO, 2017, 361, noot J. VAN CAEYZEELE) bevestigt het Hof van Cassatie dat de tienjarige aansprakelijkheid van aannemers vereist dat er gebreken zijn die de stabiliteit van het gebouw of een belangrijk deel ervan in gevaar brengen of die dit op korte termijn kunnen doen.

Op deze manier wil het Hof van Cassatie de toepassing van de artikelen 1792 en 2270 van het oud Burgerlijk Wetboek kaderen en beperken.

De tienjarige aansprakelijkheid vloeit namelijk voort uit wettelijke bepalingen van openbare orde, omdat het tot doel heeft niet alleen de veiligheid van de bouwheer als eigenaar van het werk te beschermen, maar ook die van de samenleving en dit is van algemeen belang.

Twee begrippen moeten correct worden gedefinieerd, namelijk enerzijds het geheel of gedeeltelijk verlies van het gebouw door gebrekkige bouwwerken (zelfs door de ongeschiktheid van de bodem) zoals blijkt uit artikel 1792 van het oud Burgerlijk Wetboek en anderzijds het begrip grote werken in de zin van artikel 2270 van het oud Burgerlijk Wetboek.

  1. Verlies van het gebouw

Dit verlies moet worden veroorzaakt door een bouw- of bodemgebrek (artikel 1792 van het oud Burgerlijk Wetboek).

Het gaat dus om een gebrek dat als ernstig wordt beschouwd, ongeacht of dit gebrek verborgen of zichtbaar is.

De ernst van het gebrek wordt overgelaten aan de soevereine beoordeling van de feitenrechter.

Het Hof van Cassatie heeft herhaaldelijk de contouren en grenzen van de definitie van ernstig gebrek vastgelegd om een uitbreiding van de tienjarige aansprakelijkheid voor gebreken die – hoewel belangrijk – de stabiliteit van het gebouw niet rechtstreeks of onrechtstreeks bedreigen, te voorkomen.

De beoordeling van de ernst van het gebrek is bijzonder delicaat wanneer het gaat om infiltraties.

Zo heeft het Hof in sommige arresten bijvoorbeeld geoordeeld dat een lek in een sanitair leidingwerk niet onder de tienjarige aansprakelijkheid van de aannemers valt. In andere arresten heeft het Hof dan weer geoordeeld dat breuken in leidingen van de centrale verwarming wel een ernstig gebrek vormen (cf. CUP, Actualités en droit de la construction, Volume 202, december 2020, 299-300).

Alles is dus een feitenkwestie.

De rechtsleer en de rechtspraak zijn het er echter over eens dat een functioneel gebrek niet onder de tienjarige aansprakelijkheid van de aannemers valt (het functioneel gebrek belemmert gedeeltelijk of volledig het gebruik van het gebouw overeenkomstig zijn bestemming, hoewel geen fysieke aantasting van zijn stabiliteit of zijn eigen stevigheid is aangetoond).

De opvatting hierover zijn echter ook niet unaniem.

In het bovenvermelde arrest heeft het Hof van Beroep te Brussel geoordeeld dat de gebreken die aan de oorzaak liggen van de vastgestelde infiltraties niet onder de tienjarige aansprakelijkheid vallen.

Men kan dus voorlopig concluderen dat de definitie van een ernstig gebrek enigszins variabel is, afhankelijk van de specifieke elementen van het geschil dat aan de rechter wordt voorgelegd, en wiens beoordeling soeverein blijft.

De rechter zal zich beroepen op het advies van de gerechtsdeskundige, van wie de conclusies dus doorslaggevend zijn.

  1. Een groot bouwwerk

Artikel 2270 van het oud Burgerlijk Wetboek verwijst uitdrukkelijk naar dit begrip: « Na verloop van tien jaren zijn architecten en aannemers ontslagen van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid. »

Ik verwijs naar het artikel gewijd aan het begrip ruwbouw, gepubliceerd in het tijdschrift Architraaf nr. 209, december 2021, en met name naar de definitie gegeven door artikel 2 van de wet van 31 mei 2017 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering voor aannemers, architecten en andere dienstverleners in de bouwsector van werken in onroerende staat. Dit artikel definieert de gesloten ruwbouw als « de elementen die bijdragen aan de stabiliteit of de soliditeit van het gebouw, evenals de elementen die het gebouw afsluiten, het dak en de waterdichtheid van het gebouw verzekeren ».

Het toepassingsgebied van deze wet is gedefinieerd in artikel 3 en omvat « de stabiliteit en de soliditeit en de waterdichtheid van de gesloten ruwbouw ».

——————-
Het Hof van Beroep te Brussel heeft zeker de tienjarige aansprakelijkheid van de architect afgewezen, maar heeft hem desondanks veroordeeld omwille van de redenen die hierboven zijn genoemd.

Tot slot dient opgemerkt te worden dat de architect zijn verplichting tot bijstand aan de bouwheer heeft nageleefd door de gebreken die hem uiteindelijk worden verweten, te melden naar aanleiding van de voorlopige oplevering.

Tegelijkertijd heeft hij zichzelf echter in de voet geschoten!

Maar hij had geen andere keuze als hij zijn verplichtingen wilde nakomen.

We prijzen de integriteit en eerlijkheid van deze architect.

Helaas wordt deze kwaliteit niet altijd gedeeld door alle architecten.

Hieruit vloeit de vraag voort naar de rol van de architect bij de oplevering van de werken. Ongetwijfeld heeft de architect een moeilijke rol, omdat hij de bouwheer adviseert en bijstaat bij de goedkeuring van de werken die hij zelf heeft ontworpen en gecontroleerd.

Hij is dus rechter en partij tegelijk, hoewel de wetgever van 1939 hem een opdracht van openbare orde heeft toegekend die gerechtvaardigd is door het vertrouwen dat de samenleving in de architect heeft gesteld.

Het debat is niet gesloten. Misschien moet de bouwheer geadviseerd worden om zich te laten bijstaan door een onafhankelijke expert bij de oplevering?

Dit wordt al voorgesteld aan de koper wanneer de bouwpromotor hem vraagt de werken op te leveren, aangezien de architect van de promotor niet tegelijkertijd de belangen van de promotor en de koper kan verdedigen.

You can place your call out box text here

CategoryArchitecture