Artikel geschreven Jean-Pierre VERGAUWE, Architraaf n° 209 van Décember 2021.

De correcte definitie van de basiselementen van een bouwwerk is van kapitaal belang aangezien zij vele gevolgen met zich meebrengt.

Het gaat daarbij onder andere over het toepassingsgebod van de overeenkomsten die de bouwheer moet sluiten met de bouwers en in het bijzonder de architect, de ingenieur en de aannemer.

Maar ook de correcte interpretatie van het begrip ruwbouw heeft, zoals wij zullen zien, gevolgen voor de verzekering van de bouwers, in het bijzonder de dekking van de tienjarige aansprakelijkheid.

Tenslotte heeft deze definitie een impact op andere soorten overeenkomsten, waaronder de huurovereenkomst ; Dit komt in dit artikel niet aan bod.

1. Wat is ruwbouw ?

a) In het algemeen spreekt van ruwbouw als gesloten en winddicht.

De ruwbouw omvat de werken die de stevigheid en stabiliteit van het bouwwerk verzekeren (onder meer funderingen, draagmuren, steunbalken, etc…), alsook de bedekking (timmerwerk en dak) en het buitenschrijnwerk (ramen en ruiten), meer bepaald de elementen die bijdragen tot de isolatie ten aanzien van slecht weer.

De ruwbouw wordt dan soms ook gedefinieerd als « water en winddicht” of de “gesloten ruwbouw”.

b) We kunnen de ruwbouw ook definiëren aan de hand van de samenstellende eigenschappen.

Zo vallen alle zware componenten of grote werken, zoals beton, bakstenen, metalen steunbalken, etc.. onder de ruwbouw.

We spreken daarentegen van « kleine werken » wanneer we het hebben over elementen die gemaakt zijn van lichtere materialen zoals plaaster, crepis, bezetting, alsook het binnenschrijnwerk (parket, plinten, deuren, etc…). Ook de « afwerkingswerken », zoals elektriciteitswerken, loodgieterij en ventilatie vallen onder deze categorie.

Samengevat, heeft de ruwbouw betrekking op de structuur van het gebouw.

2. Impact op de bouwovereenkomsten

De overeenkomsten waarbij de bouwheer zich verbindt ten aanzien van de bouwers, zijn in grote mate afhankelijk van een correcte definitie van de ruwbouw en de afwerking.

Hieronder een aantal voorbeelden :

a) De verbintenis van de cocontractanten

Het is van kapitaal belang om de opdracht van elke bouwer en in het bijzonder van de architect, duidelijk te onderscheiden.

In het algemeen is de architect niet gelast met de studies die onder de bevoegdheid vallen van de technische studiebureaus en, in het bijzonder, van alles wat de stabiliteit betreft ; de architectenovereenkomst sluit dus de studies uit, die toevertrouwd worden aan de stabiliteitsingenieur.

Wel moet men zich ervan verzekeren dat de stabiliteitsingenieur niet enkel met het ontwerp van de betreffende werken wordt gelast, maar ook met de controle op de uitvoering van deze werken en de gevolgen die zij kunnen hebben voor de naburige eigendommen (funderingswerken, gemene muren, etc… ).

Maar de architect is zeker niet ontlast van alle tussenkomst en verantwoordelijkheid met betrekking tot de ruwbouw.

Het gaat daarbij onder meer over het algemene ontwerp en de interacties met de afwerking.

De architect heeft een coördinerende rol tussen de verschillende tussenkomende bouwers.

Zoals het Hof van Cassatie terecht stelde in haar arrest van 3 maart 1978, is de uitbesteding van de opdracht en verantwoordelijkheid van de architect naar andere bouwers, onderworpen aan strikte voorwaarden.

Hierbij kan worden verwezen naar de moeilijkheden die afzonderlijke opleveringen met zich meebrengen, wanneer de loten ruwbouw en afwerking aan verschillende aannemers werden uitbesteed.

b) De architectenopdracht

Het gebeurt dat bouwheren de opdracht van de architect willen beperken tot de gesloten ruwbouw.

Op die manier willen ze besparen op de honoraria van de architect, door in sommige gevallen zelf de afwerkingswerken uit te voeren.

Deze praktijk is niet goed.

Immers, artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 verplicht de bouwheer om beroep te doen op een architect voor het opmaken van de plannen en de controle op de uitvoering van de werken.

Het is moeilijk om tot een gezonde constructie te komen, die aan alle wettelijke en reglementaire eisen voldoet, zonder de tussenkomst van een architect, met inbegrip van de afwerking..

De aanwezigheid van een architect is trouwens noodzakelijk om de bouwheer bij te staan bij de opleveringen, die uiteraard niet enkel betrekking hebben op de ruwbouw.

Een gedeeltelijke opdracht kan slechts aanvaard worden indien de architect er zeker van is date en confrater hem zal opvolgen voor het ontwerp en de controle op de uitvoering van het totale bouwwerk, met inbegrip van de afwerking.

In dit verband dient ook opgemerkt dat de bouwheer en de bouwers de verplichting hebben om de wettelijke bepalingen inzake veiligheid en gezondheid te respecteren.

De aanwezigheid van een veiligheids-en gezondheidscoördinator is niet beperkt tot de ruwbouw.

c) De erelonen

Heeft de architect het recht op erelonen voor de betonwerken en de stabiliteitswerken in het algemeen ?

Het antwoord is positief, onder meer omdat de architect de dirigent blijft, verantwoordelijk voor de goede coördinatie en, in het algemeen, van de harmonieuze integratie van de verschillende elementen van het bouwwerk.

d) De termijn

De afwerkingen vinden in het algemeen plaats na de realisatie van de ruwbouw.

Toch is het evident dat sommige bestanddelen van de afwerking reeds geïntegreerd worden in de ruwbouw.

Anderzijds hebben bepaalde werken een impact op de ruwbouw (zoals thermische en/of akoestische isolatie).

Deze verschillende tussenkomsten moeten dan ook goed en precies gepland en voorzien worden, zodat de overeengekomen termijnen gerespecteerd kunnen worden.

e) De aansprakelijkheden

We maken een onderscheid tussen de ernstige gebreken en de lichte gebreken.

De eerste hebben betrekking op de stevigheid of de stabiliteit van het bouwwerk in de strikte zin van de artikelen 1790 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de tienjarige aansprakelijkheid.

Hierbij is het van belang om op een goede manier de cursor te plaatsen die het mogelijk maakt om een onderscheid te maken tussen de verbintenissen en aansprakelijkheden van de bouwers ten aanzien van de bouwgebreken.

Dit is belangrijk voor onder meer de termijn van de bouwheer (de nuttige termijn) om in rechte op treden, termijn die contractueel wordt bepaald op 1, 2 of 3 jaren voor de lichte gebreken en op 10 jaar voor de ernstige gebreken (tienjarige aansprakelijkheid).

Anderzijds, waar contractuele afwijkingen zijn toegestaan voor de aansprakelijkheid voor lichte gebreken, zijn deze onmogelijk voor de ernstige gebreken, nu de tienjarige aansprakelijkheid van openbare orde is.

Een vermindering van de tienjarige termijn is verboden, maar het startpunt van deze termijn kan wel contractueel worden vastgelegd bij de voorlopige oplevering.

Bovendien is de geldigheid van een « in solidum » clausule recent door het Hof van Cassatie afgeschaft, ten minste toch voor wat betreft de ernstige gebreken die onder de tienjarige aansprakelijkheid vallen.

De restrictieve strekking sluit alle gebreken die de stevigheid of de stabiliteit van het gebouw niet in het gedrang brengen, uit het begrip van ernstige gebreken uit.

Volgens de extensieve strekking dienen alle gebreken die het normale gebruik van het goed in het gedrang brengen, zonder dat zij echter invloed hebben op de stevigheid van het gebouw, onder het toepassingsgebied van de tienjarige aansprakelijkheid te worden ondergebracht.

Deze strekking sluit aan bij de evolutie van het begrip van een woning of moderne kantoren, waarbij meer en meer aandacht besteed wordt aan de veiligheid en het thermisch en akoestisch comfort.

Anderzijds kan een lek aan de waterleiding of aan de verwarmingsinstallatie, op termijn, de stevigheid van het gebouw aantasten. .

Moeten we bijgevolg de restrictieve of eerder de extensieve strekking van het begrip ernstig en verborgen gebrek hanteren ?

De rechtspraak lijkt voorlopig voor de restrictieve strekking te opteren.

Maar laten we ervan uit gaan dat deze kwestie nog niet definitief is opgelost en dat het aangewezen is dat de wetgever tussenkomt om alle twijfel weg te werken.

3. De verzekering van de bouwers

De wetgever is herhaaldelijk tussengekomen in het kader van de burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering van de bouwers, in het bijzonder met betrekking tot de tienjarige aansprakelijkheid.

De wet van 31 mei 2017 betreffende de verplichte verzekering van de tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid van aannemers, architecten en andere dienstverleners in de bouwsector van werken in onroerende staat definieert in artikel 2 de gesloten ruwbouw als « de elementen die bijdragen tot de stabiliteit of de stevigheid van het bouwwerk alsook de elementen die voor de wind- en waterdichtheid van het bouwwerk zorgen ».

Het toepassingsgebied van deze wet wordt bepaald in artikel 3 : de verzekering van de tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid is deze die de burgerlijke aansprakelijkheid bedoeld in de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek dekt, voor een periode van tien jaar na de aanvaarding van de werken, « beperkt tot de soliditeit, stabiliteit en waterdichtheid van de gesloten ruwbouw, wanneer deze laatste de soliditeit of de stabiliteit van de woning in gevaar brengt ».

De parlementaire werken bevatten eveneens interessante overwegingen met betrekking tot het onderscheid tussen ernstige gebreken en lichte verborgen gebreken (cf. ons vorige artikel met betrekking tot de aansprakelijkheidsverzekeringen van de bouwers ).

We moeten hopen dat het wetgevend werk zal worden aangevuld, zodat de verplichting van de aannemers van het onderschrijven van een burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering wordt uitgebreid en niet enkel de ernstige gebreken worden gedekt, maar ook de lichte verborgen gebreken of, met andere woorden, dat deze verzekering niet enkel de ruwbouwwerken maar tevens de afwerkingswerken dekt.

Jean-Pierre Vergauwe

CategoryConstruction